Historie van Hilaard
Hilaard wordt voor het eerst genoemd in 1275 als Elawerth, ‘de terp van Ele’. In het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden van A.J. van der Aa uit 1839-1851 wordt Hilaard omschreven als: "
Het is van matigen omtrek en kerkbuurt. Men telt er 26 h. en 230 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw. [...] In de[ze] kerk is een orgel, ook is er een, aan de kerk verbonden, stompe toren, op welks kleinste klok staat: 'In het jaar 1300 ben ik gedoopt'. "